“Kom maar mee, dan mag je helpen” Met die woorden liep mijn oom naar de open plek tussen de hoeve en de stallen. “Blijf hier staan, naast Hector”. Hector wist, aan zijn kwijlende bek te zien, beter wat er ging gebeuren dan ik. Een grote zware man met een wit bevlekte schort en een witte snor sloeg zonder twijfels en met overtuiging het naar buitengevoerde varken met een klap dood. Of bijna dood. Het varken wat ik de hele vakantie van emmers grijze smurrie had mogen voeren. Het beest schokte en beefde tot hij, nadat de witte snor man geroutineerd zijn keel had door gesneden en behendig het uitstulpende bloed in een emmer opving, was leeg gebloed. Hector, tante, oom en ik keken vol bewondering naar de schoonheid van de dood. Naar het ballet van de slacht.
Voor ze de heerlijk gebraden worst aansneden bogen mij oom en tante het hoofd en dankte terwijl ik tussen mijn vingers door keek naar de stervende vliegen aan de vliegenvangers die als kurkentrekkers vanaf het plafond naar beneden krulde.
Ik begreep het toen en ik begrijp het nog steeds. Er was geen rede tot twijfel.


