Terwijl ik met stijgende verbazing zag hoe een vrouw van middelbare leeftijd haar in een met nepedelstenen versierde jasje gestoken chihuahua optilde en het scharminkel toesprak of het haar zojuist geboren kleinzoon was, kwam het woord DECADENTIE bij mij naar boven. Niet eens uit verontwaardiging of ontsteltennis (wat toch op zijn plaats was geweest) maar als een soort Pavlov reactie. Deze Pavlov reactie irriteerde me. Liever was ik gewoon verontwaardigd of verbaast geweest. Even googlen besloot ik.
vrijdag 27 mei 2011
Decadentie
dinsdag 10 mei 2011
Niet nodig (deel 3)
Hij schrikt wanneer ik hem beneden bij de lift tref. Ik ben ook een half uur te vroeg en hij heeft me waarschijnlijk nog niet verwacht. Misschien heeft hij willen vluchten en realiseert hij zich dat er geen ontkomen meer aan is. Zijn kleine oogjes priemen boosaardig als ik enthousiast begroet. Misschien te enthousiast want zijn houding blijft stug. Ik vermoed dat er iets is. Misschien is hij boos bedenk ik me en Ik besluit in een opwelling om hem direct met mijn vermoedde te confronteren.
‘U had het nooit mogen opschrijven ’ Antwoord hij bijtend.
Al mijn hersencellen gaan aan het werk om te achterhalen in mijn geheugen waarop hij zou kunnen doelen. Want hij gaat er helemaal vanuit dat ik begrijp waar hij op doelt. Ik moet nu iets doen anders ben ik hem kwijt en waarschijnlijk voor goed. Ik besluit een tactische manoeuvre te maken en nodig hem uit om boven op zijn kamer verder te praten. Hij twijfelt en kijkt me doordringend aan. De draad waar ik aan hang is nu heel dun. Ik was er op voorbereid. Ik wist dat een fout genoeg zou kunnen zijn voor hem om zijn deur te sluiten en ik zou niet weten waarom. Er moet nu een open maar vooral neutrale uitdrukking op mijn gezicht te lezen staan, anders kan ik het schudden, dat weet ik. De secondes tikken weg tot hij zich plots omdraait en de trap met zijn vermoeide en door reumatiek kromgetrokken lijf traag beklimt. Ik mag volgen zegt zijn rug. Boven, in zijn steeds meer met afval vullende huiskamer, blijft hij zoals altijd achter zijn stoel staan. Nu meer dan ooit zal hij over mij heen kijken. Dan komt het hoge woord er uit.
‘Dat witte papier’, dat ‘behandelplan’ welk ik hem twee weken geleden heb gegeven (omdat het moet) is in zijn verkeerde keelgat geschoten.
Het is allemaal onzin wat daar in staat. Er is niks met hem aan de hand.
‘Het is allemaal gelogen’ zegt hij scherp.
Dan zwijgen we samen en we staren allebei naar het uitgeprinte behandelplan op tafel. Na een minuut of tien pak ik het plan en verscheur het in kleine stukken.
‘Sorry’ zeg ik, ‘U hebt gelijk’
Weer treed de stilte in en ik besluit koffie voor hem te zetten. Hij kijkt trots en met een zeker mededogen naar mijn werkzaamheden. Hij ontspant. Als hij koffie drinkt ga ik voorzichtig de stapels plasticverpakkingen, de tientallen lege melkpakken en de honderden verzamelde doppen naar de container brengen. Als ik langzaam aan werk kan hij het verdragen en ik moet toestaan dat hij de plastic doppen weer uit de container vist en weer naar binnen brengt.
‘Tot over twee weken’ zegt hij met een iets wat spottende glimlach om zijn mond. Hij heeft me op mijn plek gewezen.
donderdag 5 mei 2011
azuren zee
Strakblauw is de lucht boven de azuren zee. Steenrode daken deinen golvend op het lichtglooiende landschap. De terracotta tegels houden het in hardblauwe en met ze zee concurrerend zwembad op zijn plaats. De drie Gallo Romeinse zuilen dragen stoer en onvermoeibaar het dak boven mijn hoofd welke fraai is omrand door een immense bruidsluier die haar bloesem onverminderd opdracht geeft het arrogante zwembad te kleineren. De verlegen olijfbomen samen met de enige citroenboom generen zich overduidelijk voor hun taak om de villa te omheinen. Een op afstand bestuurbaar hek is verzonken in de snel dalende heuvelrug waarop mijn zeer tijdelijke verblijfplaats is gelegen. Kijkende over het glooiende landschap realiseer ik me dat dit een plek is van de welgestelden. Het weet zich omringt door honderden zei niet duizenden grotere en kleinere broertjes en zusjes en geeft zicht, op wat men zou kunnen noemen, gematerialiseerde stilte. Want het merendeel van deze luxe enclaves is leeg en verlaten, voor maanden, zo niet voor jaren. Hier komt of kwam men vermoedelijk om te ontkomen aan de verplichtingen die aan welgesteldheid kleeft. Hier ontkomt men misschien heel even, aan een schrijnende gedachte. ‘Paradijselijk’ zou mijn moeder een dergelijke plek hebben genoemd. Een plek voor de notabelen en voor de Adel. “Dat is niet voor ons soort mensen, jongen”. Mijn moeder kon daar zonder enige onechtheid over meimeren. Ze kon je laten voelen dat het zo bedoeld was. Maar mijn moeder is dood. Al lang. Soms mis ik mijn moeder meer dan me lief is.
donderdag 28 april 2011
Kwajongen
Terug in de tijd gaan kan niet, dat weet u en dat weet ik. Hoewel er soms in een fractie van een seconde iets gebeuren kan waardoor de illusie wordt geschapen dat het even gebeurt. Dat je een moment kan gluren in een lang vervlogen tijden. Het overkwam mij toen ik nog niet zo lang geleden speurend naar inspiratie het fotoarchief van de beeldbank van Zeeland door worstelde. Nonchalant passeerde ik een zwart-wit foto die ik even gemakkelijk weg klikte. Het was een foto uit 1964 waarop de burgemeester van mijn dorp Ovezande de zopas aangeschafte brandweerauto bewonderd. Hij doet dat in een kring van trotse brandweermannen en vermoedelijke gemeenteraadsleden. Kijkend naar de foto herinnerde ik me dit heugelijk feit nog steeds na al die jaren. Ik herkende eerst de brandweerauto’s en daarna de burgemeester. Verder gebeurde er niets. Niets bijzonders althans. Maar gisteren stuitte ik opnieuw op diezelfde foto en deze keer viel het me op dat voor de trots poserende groep mannen een jongentje staat in een overall en met rubberlaarzen. Hij kijkt lachend in zijn versleten en zo te zien vaak herstelde overall naar zijn kleine broertje. Die draagt op zijn beurt gescheurde versleten laarsjes. Je ziet dat de jongen klaar is om de foto een heel andere wending te geven dan die waar de fotograaf en zeker de burgenmeester op hadden gehoopt. De omstanders lijken zich op het moment dat de foto genomen word niet bewust van de indringertjes en kijken zoals mannen kijken bij de aanschaf van een dergelijk belangrijk voertuig. Ze kijken en lachen ingehouden trots. De mannen boven op de brandweerauto echter, lachen met een heel andere lach. Die zien, daar hoog boven alles uittorenend, de consternatie al aankomen en weten dat er iemand zal moeten ingrijpen om de plechtigheid te redden. Het jongetje heeft waarschijnlijk al een reputatie aan zijn zelfverzekerde blik te zien. Die blik, richting zijn broertje, zegt ‘schiet toch op, voor we weggestuurd worden’.
Achter deze ordeverstoorder zag ik nog een jongen. Ook in een overal en ook in laarzen. Zijn overall en laarzen zijn heel. Hij wil net zo zijn als zijn vriendje, net zo stoer en hij wil ook alles durven. Half verscholen achter de rug van zijn vriendje zie ik een pretlach en dat terwijl hij de scene eigenlijk al weer uit probeert te lopen.
Toen kwam de, door onze oosterburen zo mooi aangeduide, Erlebnis. Ik zag het. Die jongen, dat ben ik, betrapt samen met mijn vriendje Kees Rentmeester. (De naam van zijn kleine broertje weet ik niet meer.)
Het duurde even voor ik wist waarom deze foto mij ontroerde want ik heb Foto’s genoeg. Foto’s op school, foto’s thuis met mijn zussen of op vakantie. Kiekjes uit mijn leven. Voornamelijk geregisseerd en bewust genomen. Maar deze foto toon een kind die zich onbespiedt waant. Betrapt door de camera in een moment van opperst kwajongen zijn. U zegt het misschien niets. Maar ik zie dat ik daar op dat moment gelukkig ben. Geluk is uiterst ijl en onvoorspelbaar in haar aanwezigheid. Hier is mijn geluk betrapt en gevangen.
Abonneren op:
Posts (Atom)



